|
Zo zeggen
we dat; zo schrieven we dat
Wie,
Knoalster schrievers, vuilen ons aansproken deur de woorden van
perfester dr. Siemon Reker dij in zien bouk
‘Gronings’
op bladziede 31 schrift:
‘Iemand die de klankverschillen niet hoort, weet wellicht
niet waar een ander zich druk om kan maken; voor een ander kan het
bijkans een halszaak zijn om te spellen zoals hij spreekt en dus
zó gelezen wil worden.’
Net
as Reker binnen wie ook van mainen dat elk zien sproak holden mot.
Doarom…
Spellen van Knoalster woorden
aachte
(hoofdtelw)
acht
aale (vnw) al, al die,
ieder, iedereen
- al die
jongens; aale jonges-
aine
(hoofdtelw)
een
altied altijd
bedaarm
bederven,
overdreven verwennen
bedeuen,
bedeut
ontdooien , ontdooit
benèd
benieuwd
bedörm
bedorven
blèje
blei (vis)
daar,
daren
dier, dieren
darentoene
dierentuin
drèje
(hoofdtelw) drie
edres
adres
eteloasje
etalage
euchie ooitje,
damesfiets
heisterg
hees
hor
(tussenw) hoor
hijbel
drukte,
ruzie
intrezzen
interesse
in t ronne
in de rondte
ittjebaaien
aardbeien
jitters
borsten
joanen
dwingen, zeuren
jokken
grapjes maken, schertsen
kaaigiebakken
spel met n steen op t ijs
kèset
corset
kefé café
kesumptie
consumptie
kesumpsiebonnen
consumptiebonnen
keudelsteuter
1. iemand die voor spek en bonen meedoet
2. kleine jongen
kiet
gelijk
(spel kiet of dubbel)
kilnjacht
troep
kinderkoare
kruiwagen met huif (voorloper van de kinderwagen)
klaaiozze
lomperd
klabantern
rumoer maken, stoeien van
kinderen
klapbuzze
proppenschieter
kledder
schilder
kleddern
schilderen
klaren
kleren
klenne
holden
lawaai in huis maken
klidde
wilde meid
kluin
bier
getapt uit het vat
knail
kaneel
knarriekoorse
zich ziek aanstellen
knèje,
knèjen
knie, knieën
knèkousen
kniekousen
kniepkadde
zaklantaarn mit aandrijving
koepel, koepeltje portiek, portiekje
knoppie,
knobbe lichtschakelaar
koane
1. kaan, uitgebakken reuzel 2. lachwekkend
dom iemand
koanesmeer
uitgesmolten reuzel voor op brood
koppeltjeboiten
kopjebuitelen
krabersverlof
verlof aan schoolkinderen
om te kunnen aardappelrooien
krabertje
scheerapparaat (met veiligheidsmesje)
kravve
karaf
kreiveln, kruiveln
oneerlijk spelen
kremenaren
klagen
kriele(n)
kleine aardappel(en)
krimbe
inspringende hoek (van een gebouw)
kroamwoarster kraamverzorgster
kwengeln
morsend
heen en weer schenken
kukhaalzen
kokhalzen
labbernoekas
zeer misvormd iets, rare sinjeur
laikmodder
baggermodder
laive,
laiw
leeuw
(letter of laive gooien; kop of munt gooien)
leedbier
bier
geschonken in een sterfhuis
liepenköster
kind dat veel huild
loeterg
kwaad, korzelig
loofhut
schuilplaats gemaakt van aardappelloof
loop-hìn-schieten hoepel op
loophok
kippenren
loophek
1.
kinderbox, 2. hulpmiddel om te helpen bij het lopen
loopkare
(mit handremmen) rollator
luuchies
(znw; mv) luitjes
meschien
misschien
maarg
merg
makke
sikke
marechaussee
(schertsend)
massé
zoete brokken,
bakkers grondstof
massiesee
marechaussee
meede
over de grond getrokken streep (finishlijn)
meetladde
grote liniaal
menning
laan langs het boerenland
mesjokke
niet goed wijs
(uit het bargoens)
meugen
ook: lusten van voedsel
mitvrèjen
doen
ouders als ze de huwelijkskandidaat laten
merken dat het in goede aarde
valt
mikrefoon
microfoon
motjen
1. onhandig werken 2. tegenstribbelen
motten
moeten (ik mot, du
motst, hai mot, motten)
mokken
maken (ik mok , du
mokst, hai mokt, mokt)
mozzen
moesten (ik mos, du
most, hai mos, mozzen)
mulobigge
scheldnaam voor muloleerling
nachthok
hok waarin
de kippen op stok gaan
neefie
steekmug
nè
nieuw
nèje
nieuwe
nèjes
nieuws (iets nieuws,
wat nèjes)
nèjechies
nieuwtjes
nèsberichten
nieuwsberichten
nèsgiereg nieuwsgierig
noar
t doun weg
naar
omstandigheden
òflegger
1. iemand die de dode van kleren ontdoet
2. afsplitsing
van een bijenvolk
ollegies
oudjes, oude lui
ombulen
van voornemen of werkmethoden veranderen
omheer
aan toe gaan , herrie (t
gaait ter omheer)
ong
ooo (uitroep)
onnasteg
erg, verschrikkelijk
opains
opeens
op
boeten
buiten ( hij is buiten, hai op boeten)
op
boekies zitten
gehurkt
zitten
oprebbeln opruimen (netjes maken)
orzeg
korzelig
osioan
oceaan
peigel
dood (plat)
peller
pallet om goederen op te stapelen
perbaar,
pebaren
probeer, proberen
pet
knudde
plenter
eind hout
pluumpie
o.a.
visdeeg
poea
opschepperij, verbeelding, koude drukte
poedie
meisje, vrouw (positieve betekenis in tegenstelling tot
elders in
Groningen)
polde
vod, slonzig kledingstuk
potjen, oppotjen sparen
pottertaren
fotograferen
prakkezaren
nadenken, prakkezeren
rasploert
erge
ploert
repertaren
reperteren
rutern
in bed liggen te woelen
saarstieds
in de herfts,
tijdens de herfst
schenke
ham
schiet-in-de-boksem
bangerik, ook wel
koosnaam voor n klein kind
schildertje
schilmesje
schimmelge proat dwaze praat
schoaltje dansen, lopen over ijsschotsen lopen
schollekop
plaaggeest
schurrel
schotel
schurrelwotter
afwaswater
simelaren
overdenken
slèje
zeelt (vis)
sleupie
tuitvormig lapje (vingerverband)
snötdouk
zakdoek (plat)
snidde
gulp
spöde
spuit
spöten
spuiten
spède
spuugde
spèje
spuug
stabbe
rattenval
stainmodde
pissebed
stedaar,
stedaren
studeer,
studeren
stedent
student
stobbe
o.a. zekering
stödde, stöt goaren knot garen
stokgelukkeg
erg gelukkig
streekie
deur
spel
taimpie
melodietje
tamtaren
iemand
toetakelen
tanne
1. tand; 2. tante
tapn'tien
terpentijn
tidde
tiet, borst
tjeu,
tjeu hor
adieue
(afscheidsgroet)
tjoedeln
druk, slecht spelen op een muziekinstrument
toesterstrampel
wanstallige boomstronk
trovvelzoage
zaag met
verdikte rug
tuugknippers
wasknijpers
tudeslachter
poulier
twèje
(hoofdtelw) twee
uutverroren
werkloos door de vorst
vaarkant, vaarkaande vierkant
vaarkanteg
vierkanteg
veurhanden
aanwezig,
voorhanden
vedder
verder
veraltereerd
van de wijs door
de schrik
verbilderd
ontsteld
verkugeln
ogen verpesten door precies werkje
veroarden
ontaarden, degenereren
vlèje
vlies
vottje
vader (koosnaam)
vrattenbieter
libelle
vrèjersvouten
(op)vrijersvoeten
vrundelek
vriendelijk
ware,
in de
verstrooid, in de war
wavvel
mond (plat)
wavveln
druk, zinloos praten
woordlek
woordelijk
woordkaag
zwijgzaam
wörms
kriegen
bang of bezorgd
maken
wuiren werden (ik wuir, du
wuirst, hai wuir, wuiren)
zaikenvoader
dokter
zammelgoud
gezamelijke afval van
woningen
zinkens
pijnscheuten in oren of kiezen
zoere
neers
1.wordt gezegd van een vrouw die ongesteld is
2. pruilerig iemand
zo
nèjes
zo pas
zorrebult
sul, slappeling
zudelvolk
venters
n
zuide
zoetsappige prater
zuurtjewotter
frisdrank
zwiepsk
zeer buigzaam
zwoore
spekzwoerd
Wie
binnen van mainen dat:
- t ende van n woord op
-aaiern in t Grunnegs- bie ons schreven word
as -aren- zo as traktaren, daren, perbaren, varen en zo wat hìn.
- n -ije- klank is bie ons -è of
èje- zo as nè, nèje, spèje, vlèje en
nog meer van dij woorden.
- veul Grunneger woorden met oe, worden bie
ons uu
- t Lidwoord -de- wordt opschreven as je t heuren bie t spreken. Veur n klinker wordt t - d'-.
Kommentaar? Loat van joe heuren! Ons Gastenbouk staait ter veur open.
Eerst tot zo
wied……....
Willen je mit
doun aan dizze woordenlieste? Kom
den bie de KSG. Ook as je nog noeit wat in t Knoalsters schreven hebben.
Wat nait is kin kommen! Mail noar: hatoben@orange.nl
|